Teaser - Miscommunicatie

Proloog

Het was de zoveelste keer dat ik schreeuwend en doorweekt van het zweet wakker werd. Ik kwam met moeite overeind en wreef het slaap uit mijn ogen. Mijn hoofd deed pijn en mijn mond was droog, mijn tong voelde aan als een dikke, vreemde lap.
Ik wist dat ik niet thuis was. Het was een gevoel, een instinct, al kon ik mijn laatste herinneringen niet meer terughalen. Ik deed er ook geen moeite meer voor. Mijn geheugen begon steeds verder achteruit te gaan, ik begon zelf steeds verder achteruit te gaan, mijn hele leven was in een korte tijd achteruit gegaan. Er was zoveel verwarring dat het chronisch was geworden. Alles was zo onwerkelijk, alsof ik het laatste beetje grip aan het verliezen was, terwijl ik aan één hand boven een afgrond hing.
De kamer waar ik in lag was donker, ik kon alleen de silhouetten van een aantal meubels onderscheiden, waaronder een soort dressoir en een grote kast. Het rook er muffig, naar een oude en verlaten woning, zo voelde het ook aan, oud en leeg met een duister tintje.
‘Hallo..?’ Mijn stem galmde door de ruimte en stoof langzaam weg, waarna het weer stil werd.
Ik had geen idee waar ik was, mijn brein liet me in het duister zitten en weigerde om mee te werken, om me iets te laten herinneren. De angst om in gevaar te zijn zei me te vluchten. Ik gooide meteen mijn voeten over de rand van het bed en sprong op, iets te snel, waardoor mijn hoofd duizelde en mijn zicht wazig werd. Om mezelf staande te houden groef ik in een impuls mijn voeten in de vloer en schreeuwde het bijna uit van de pijn. De vloer was bezaaid met gebroken tegels, ze lagen her en der verspreid. Het haalde de wonden op mijn voeten, die nog niet volledig waren genezen, weer opnieuw open. De drang om te vluchten was sterker dan de pijn in mijn voeten. Mijn hersens schakelden de pijn uit en stapje voor stapje volgde ik mijn weg door de donkere kamer tot ik werd opgeschrikt door een vreemd gevoel aan mijn voeten.
Wat is dit!?
Mijn ingehouden paniek kwam met een forse kracht tevoorschijn wat zich uitte in elke vezel van mijn lichaam, mijn hartslag en ademhaling versnelden en mijn spieren spanden zich aan. Het duister vergrootte mijn emoties die al een rommeltje waren.
Ik moet iets kunnen zien!
Bijna hysterisch liep ik op een muur af die ik wild betastte op zoek naar een lichtschakelaar. De muur voelde hetzelfde aan als de vloer, het was ruw en scherp en zat vol met gaten, grote gaten. Door mijn wilde handelingen haalde ik mijn handen open, waar ik op dat moment niets van merkte, de paniek overheerste, paniek dat groeide met de minuut.
De eerste muur leverde niets op evenals een tweede. De wanhoop hield me als een opgejaagde prooi in de gaten, maar ik weigerde om op te geven en gooide mezelf tegen een derde muur aan. Ook deze was zwaar gehavend, alsof er met een sloopkogel tegenaan was geramd, scherpe betonnen uitsteeksels beschadigden mijn al gehavende handen nog meer. Het lukte me niet om mezelf in te houden, ik moest iets kunnen zien en net voor de wanhoop me inhaalde klapte ik met mijn rechterhand tegen een glad oppervlak aan, een vierkant kastje van kunststof. Licht!
Zonder enige twijfel gaf ik een klap op de knop, waarmee het licht direct aansprong. Het licht scheen zo fel dat het pijn deed aan mijn ogen. Ik kneep ze stijf dicht en wachtte even voor ik ze weer opendeed en de ruimte bekeek, een ruimte waar maar één blik voor nodig was om mijn duffe hoofd in één klap wakker te maken.

Share on facebook
Share on twitter
Share on whatsapp
Share on linkedin
Share on facebook
Share on twitter
Share on whatsapp
Share on linkedin

Wil je weten hoe dit verder gaat? 

Proloog

Het was de zoveelste keer dat ik schreeuwend en doorweekt van het zweet wakker werd. Ik kwam met moeite overeind en wreef het slaap uit mijn ogen. Mijn hoofd deed pijn en mijn mond was droog, mijn tong voelde aan als een dikke, vreemde lap.
Ik wist dat ik niet thuis was. Het was een gevoel, een instinct, al kon ik mijn laatste herinneringen niet meer terughalen. Ik deed er ook geen moeite meer voor. Mijn geheugen begon steeds verder achteruit te gaan, ik begon zelf steeds verder achteruit te gaan, mijn hele leven was in een korte tijd achteruit gegaan. Er was zoveel verwarring dat het chronisch was geworden. Alles was zo onwerkelijk, alsof ik het laatste beetje grip aan het verliezen was, terwijl ik aan één hand boven een afgrond hing.
De kamer waar ik in lag was donker, ik kon alleen de silhouetten van een aantal meubels onderscheiden, waaronder een soort dressoir en een grote kast. Het rook er muffig, naar een oude en verlaten woning, zo voelde het ook aan, oud en leeg met een duister tintje.
‘Hallo..?’ Mijn stem galmde door de ruimte en stoof langzaam weg, waarna het weer stil werd.
Ik had geen idee waar ik was, mijn brein liet me in het duister zitten en weigerde om mee te werken, om me iets te laten herinneren. De angst om in gevaar te zijn zei me te vluchten. Ik gooide meteen mijn voeten over de rand van het bed en sprong op, iets te snel, waardoor mijn hoofd duizelde en mijn zicht wazig werd. Om mezelf staande te houden groef ik in een impuls mijn voeten in de vloer en schreeuwde het bijna uit van de pijn. De vloer was bezaaid met gebroken tegels, ze lagen her en der verspreid. Het haalde de wonden op mijn voeten, die nog niet volledig waren genezen, weer opnieuw open. De drang om te vluchten was sterker dan de pijn in mijn voeten. Mijn hersens schakelden de pijn uit en stapje voor stapje volgde ik mijn weg door de donkere kamer tot ik werd opgeschrikt door een vreemd gevoel aan mijn voeten.
Wat is dit!?
Mijn ingehouden paniek kwam met een forse kracht tevoorschijn wat zich uitte in elke vezel van mijn lichaam, mijn hartslag en ademhaling versnelden en mijn spieren spanden zich aan. Het duister vergrootte mijn emoties die al een rommeltje waren.
Ik moet iets kunnen zien!
Bijna hysterisch liep ik op een muur af die ik wild betastte op zoek naar een lichtschakelaar. De muur voelde hetzelfde aan als de vloer, het was ruw en scherp en zat vol met gaten, grote gaten. Door mijn wilde handelingen haalde ik mijn handen open, waar ik op dat moment niets van merkte, de paniek overheerste, paniek dat groeide met de minuut.
De eerste muur leverde niets op evenals een tweede. De wanhoop hield me als een opgejaagde prooi in de gaten, maar ik weigerde om op te geven en gooide mezelf tegen een derde muur aan. Ook deze was zwaar gehavend, alsof er met een sloopkogel tegenaan was geramd, scherpe betonnen uitsteeksels beschadigden mijn al gehavende handen nog meer. Het lukte me niet om mezelf in te houden, ik moest iets kunnen zien en net voor de wanhoop me inhaalde klapte ik met mijn rechterhand tegen een glad oppervlak aan, een vierkant kastje van kunststof. Licht!
Zonder enige twijfel gaf ik een klap op de knop, waarmee het licht direct aansprong. Het licht scheen zo fel dat het pijn deed aan mijn ogen. Ik kneep ze stijf dicht en wachtte even voor ik ze weer opendeed en de ruimte bekeek, een ruimte waar maar één blik voor nodig was om mijn duffe hoofd in één klap wakker te maken.

Share on facebook
Share on twitter
Share on whatsapp
Share on linkedin

Wil je weten hoe dit verder gaat?